Eigenlijk wil mijn moeder van 85 al jaren niet meer. Maar sinds ze deze zomer van haar fiets is gevallen en haar heup brak, is het urgenter. Ze kan niet meer fietsen, niet meer zwemmen en moet elke ochtend wachten op de diabetesverpleegkundige vóór ze kan ontbijten. Ze levert in op mobiliteit, autonomie, levenslust en energie. Ze vraagt zich af: “Wat draag ik nog bij? Wat kan ik eigenlijk nog? Wie zit er op mij te wachten?”
Ze slaapt slecht, piekert door de nacht over leven en dood. Ze ziet steeds minder door maculadegeneratie, maar noemt de televisie toch haar beste vriend. Ze kan niet meer lezen, niet meer in bad, niet meer naar de markt of de kerk, niet meer eten bij het Leger des Heils. Ze is al achttien jaar weduwe en van haar acht broers en zussen leven er nog drie. Vrienden komen minder langs, maar bezoek is eigenlijk ook al gauw te druk, te veel, ze praten vaak te hard.
Terwijl, ooit praatte ze zelf zo luid, was ze juist zo sociaal, kon ze uitbundig vrolijk zijn en zong ze luid in de kerk - tot onze schaamte. Ze geloofde daarnaast in een rechtvaardiger wereld, ze zette zich in voor Opper-Volta, het IKV en de PPR. Religie en rebellie gingen bij haar hand in hand. Ze streed voor vrouwenrechten binnen de kerk en volgde de feministische theologie van Dorothee Sölle en Catherine Halkes. Mijn moeder bleef protestants, maar zocht telkens de katholieken op, want ze geloofde heilig in de oecumene, de samenwerking tussen kerken.
Ze werkte fulltime als onderwijzeres en vond niets mooier dan zesjarigen leren lezen. “Kijk”, zei ze dan trots, “Ze herkennen ineens overal woorden, zelfs op een melkpak. Dat is magisch, er gaat een wereld voor ze open.” Ze deed zeven keer rij-examen, want ze wilde onafhankelijk worden. Van schoonmaken wist ze niet veel, maar des te meer van sfeer en warmte: zo vulde ze het huis met de geur van vers gebakken Twentse kruidkoek. Ze kookte hutspot met bruine bonen en haar kookkunsten smaakten keer op keer naar meer. Ze maakte ook voor anderen een thuis: een Algerijns straatjongetje kwam een zomer lang bij ons wonen, net als een pubermeisje dat het thuis niet meer uithield. En altijd als ik thuis kwam, voelde ik hoe blij ze daarmee was. (En die zin kan ook nog in de tegenwoordige tijd.)
Nu zit ze daar, in haar stoel, dommelend bij de tv. Ze heeft genoeg gehuild, genoeg gelachen, genoeg gezegd, genoeg gezorgd. En ze weet: het is goed zo.