Vanmorgen hoorde ik op het nieuws dat Joost Prinsen is overleden. Joost de Redder van het Steigertheater.
Een mooi verhaal uit de roemrijke geschiedenis van het legendarische kleintheatertje aan de Fortstraat:
Het Steigertheater bestond net een jaar of drie, vier. Tijd voor de belastingdienst om een controle uit te voeren. Een loonbelastingcontrole werd als eerste aangekondigd. Voor de penningmeester Emile Geelen reden om eens te gaan praten met het BGH, dat toen nog Boekhoudcollectief het Goede Heertje heette. Het Goede Heertje was, net als het Steigertheater, een MeMO-bedrijfje, een Mens- en Milieuvriendelijke Onderneming, vernoemd naar een Amsterdamse Robin Hood, die als boekhouder/fraudeur geld stal van de rijken en aan de armen gaf. Hun accountant Henk van Oostveen trok meteen aan de noodbel: alle betalingen aan de artiesten waren geboekt als 'betaling' en niet uitgesplitst naar loon en onkosten. Naïviteit, zeker geen onwil. Wanneer dat niet onmiddellijk in alle kasboeken veranderd werd, dan kon dat het Steiger rond de ƒ 40.000 aan belastingen gaan kosten, nog exclusief eventuele boetes. Een bedrag dat het kleine theatertje met één betaalde coördinator en ruim vijftig vrijwilligers nooit zou kunnen ophoesten. Daarom moesten alle artiesten die in de zaal of in het café hadden opgetreden aangeschreven worden om de juiste verdeling te kunnen maken. Kunstenaar Diederik Grootjans deed toen zijn vervangende dienstplicht bij het Steiger en heeft dagenlang brieven geschreven en verstuurd. Natuurlijk met weinig resultaat: veel theatergroepen bestonden niet meer, artiesten zagen de bui van een belastingnabetaling al hangen en dachten met de kop in het zand het tij te kunnen keren.
De belastingambtenaar kwam en dook in de boeken. Toentertijd waren dat nog enorme tabellenboeken die met de hand bijgehouden werden, één voor kasgeld en één voor bank/giroafschriften. Bij alle contante betalingen hadden de penningmeester en de accountant het loongedeelte op ƒ 0,- gezet. De inspecteur ging er steekproefsgewijs doorheen en accepteerde dat. Het ging voornamelijk om kleine bedragen. De grote bedragen werden bijna zonder uitzondering per bank of giro overgemaakt en dus in een ander kasboek bijgehouden. Dat kasboek was nog maagdelijk leeg, want daar waren de accountant en onze penningmeester nog niet aan toegekomen. Wanneer de inspecteur dat zou zien, dan zouden de rapen gaar zijn. Een nabetaling van tienduizenden guldens was onvermijdelijk, om nog maar niet te spreken van de boete.
Nu was er in die tijd nog geen kantoor. De belastingambtenaar en onze penningmeester zaten aan een lange werktafel in het gangetje van het café naar de kleedkamer. Die dag trad Joost Prinsen op met een kindervoorstelling. Er was er iemand gevallen in de zaal en er moest hulp verleend worden. Op het moment dat de inspecteur het bank/giroboek wilde pakken liep Joost door het gangetje en riep: "is er een dokter in de buurt?". Hij sprak ook de inspecteur aan. Die keek om en viel bijna van zijn stoel van verbazing. "Is dat ... Is dat ... Is dat Erik Engerd?!!" stamelde hij verbijsterd, toen Joost doorgelopen was. Hij bladerde ondertussen door het bank/girokasboek, maar leek niet te zien dat het vrijwel leeg was. Helemaal blij dat hij Erik Engerd in levenden lijve gezien had, sloot hij de boeken en beëindigde de controle. Boetes waren van de baan en de lonen-nabetaling bleef beperkt tot een kleine ƒ 1800,- Het voortbestaan van het Steigertheater was voorlopig weer verzekerd. Joost Prinsen heeft nooit geweten wat hij voor het kleintheater betekend heeft.
Foto: Joost Prinsen, Wieteke van Dort en Aart Staartjes (J.J. De Bom voorheen De Kindervriend) in 1979 bij de uitreiking van de Zilveren Nipkowschijf. Foto: Dijk, Hans van / Anefo.