Welkom op de nieuwe site!
Actieve inwoners uit meer dan 50 wijken en dorpen werkten mee aan deze nieuwe lay-out. Samen kwamen we tot een weergave waarmee je nog meer kunt ontdekken over je buurt. Veel plezier en leuke ontmoetingen gewenst!

Nijmegen-oost.nl

Inloggen of inschrijven

Alexander van de Zand
14 april 2019

Wandelingen omgeving Broerdijk A° 1880

Als geboren en getogen Broerdijker vind ik de historie van dit gebied leuk. Deze keer een stukje uit de krant van 1880.

Wandelingen door de omstreken van Nijmegen.
DOOR B. TER HAAR Bz.
XIV.
De QUACKENBERGEN ZIJN OMTREK.

     Wij willen thans onze wandeling langs de Kleefsche baan in westelijke richting een weinig verder uitstrekken dan we tot dusver deden. Nadat wij een blik hebben geworpen op het Kerstendal, het valleitje aan de zuidzijde van den wen, onmiddellijk achter de villa van Jhr. Dommer van Poldersveldt gelegen, dat op den bodem echter meestal zeer drassig en daarom niet geschikt voor eene wandeling is, volgen wij de Kleefsche baan ongeveer een half uur tot aan den voet van den Hengstenberg. Hier ontwaren wij aan de rechterhand een rond gebouw van vreemd model. Het is het onderste gedeelte van een voor eenige jaren afgebroken witte molen [red.: dat moet de Olijmolen zijn op de plek waar nu St. Maartenskliniek staat], de laatste der drie, die vroeger op den Hunerberg tusschen Nijmegen en Berg-en-Dal te zien waren en die niet slechts zoo geestig tegen de Nijmeegsche heuvelreeks afstaken, wanneer men daarop van de heuvelen van Veluwe-zoom den blik vestigde, maar die ook den wandelaar in onze streken van alle zijden in het oog vielen en hem niet alleen tot rustpunt voor dat oog, maar vaak tot herkenningsteeken strekten.
    Gelukkig dat wij in dit opzicht eene kleine vergoeding hebben ontvangen. Aan de zuidzijde toch van den weg, vlak tegenover de overblijfselen van den molen,
verrijst een sierlijk torentje. Bij den eersten aanblik zou men dat voor een Belvedère houden, behoorende tot het een of ander buitengoed. Dit is bet evenwel niet. Het is een gebouw, waarin de telegraphische toestel is geplaatst, die het daar gelegen reservoir der waterleiding met het machinegebouw te Nijmegen verbindt, zoodat men hier steeds op de hoogte is van den stand van het water in het reservoir [red.: dit is bovenaan de Torenweg, nabij de Kwakkenbergweg].
    Wanneer men de hoogte beklimt, waarop het reservoir ligt, geniet men een zeer schoon vergezicht, dat echter op het plat van het torentje nog veel uitgestrekter is, ja, in dat opzicht in ons land zijne wedergade bijna niet heeft. In eene der woningen in de nabijheid berust de sleutel in handen eener vrouw, die den toren tegen eene kleine belooning gaarne voor de bezoekers ontsluit.
    Van de hoogte weer afgedaald, gaan wij een paar schreden verder en slaan een tweeden weg, insgelijks aan onze linkerhand, in, die ons naar twee huizen voert, op een heuvel voor ons uit gelegen. Dit is de Quackenberg, zoo geheeten naar een vroegeren eigenaar van dien naam. Keeren wij ons, bij die huizen gekomen, naar het Noorden en Noordoosten, dan zien wij over een golvende, met allerlei veldgewassen bezette vlakte Nijmegen voor ons liggen. Dat uitzicht is schoon genoeg om een gevoel van spijt bij ons op te wekken wijl de Quackenberg niet meer, gelijk voorheen, tot uitspanningsplaats dient. Achter de huisjes strekt zich zich een lindenlaan uit[red.: deze liep over het terrein van de Westerhelling richting de Broerdijk]. Wanneer men die in westelijke richting ten einde toe volgt en dan rechtsom slaat, komt men uit op een zandweg, die den wandelaar zeer spoedig bij "Geldersch hof", de schoone villa van den Heer Bahlmann, brengt. Tusschen dat buiten en het punt, waar de lindenlaan van den Quackenberg op den genoemden zandweg uitloopt, ziet men een anderen weg, die langs ene hoeve bet veld in voert. Een twintig schreden van dat kruispunt ligt aan den laatstgenoemden landweg een zeer diepe put, in de wandeling "de sprekende put" [red.: ongeveer ter hoogte van het huidige Rustoord, aan de overzijde van de Postweg] genaamd en bekend om zijn krachtige echo.
     Deze buurt levert echter nog eene andere bijzonderheid op. Wanneer men uit de lindenallee van den Quackenberg op den zandweg komt, bespeurt men recht daartegenover een aarden dijk of wal, blijkbaar door menschenhanden opgeworpen, die de Broerdijk of in het volksdialekt van die streek »Bruurdiek« heet en den weg, waarop wij ons bevinden, met de Kleefsche baan verbindt.
     Tot op den huidigen dag is die dijk een mysterie voor de oudheidkenners. Dat hij op zulk eene hoogte niet tot waterkeering kan gediend hebben, begrijpt een kind. Veeleer zou men daarbij aan een verdedigingswerk denken. Doch dan begrijpt men weer met recht, welk nut zulk een werk kan aangebracht hebben op eene plaats, waar zoovele wegen toch toegang tot de stad verleenden en de verdedigers dus alle gevaar liepen van omgetrokken te worden. In welke betrekking die dijk verder tot de »broeders«, d.i. de Predikheeren of Dominikanen (men denke aan de Broerstraat, de Broerkerk, enz. te Nijmegen en elders) gestaan hebbe, valt evenmin uit te maken. Gelijk zoo menigmaal, heeft ook hier het volk zich zelf geholpen door middel eener legende. Het verhaalt, dat die dijk zijn naam zou hebben ontvangen van drie gebroeders, die ten gevolge van een familietwist dien dijk in een nacht zouden hebben opgeworpen, elk gewapend met een ... potlepel!
     Eén ding staat evenwel vast: de naam van deze plek roept ons een roemvol wapenfeit der oude, kloeke Nijmegenaars voor den geest, in den strijd, door Karel van Egmond met evenveel arglist als volharding tegen het huis van Oostenrijk gevoerd, was Nijmegen meestal op de hand van den afstammeling der Geldersche hertogen. In het jaar 1492 o. a. hield Karel binnen die stad verblijf. Nu rukte ten jare 1494 de Roomschkoning Maximiliaan tegen Nijmegen op, verbrandde Hees en den Broerdijk en deed een aanval op Hunerpoort. Doch hier werd hij zoo krachtig ontvangen, dat hij met verlies niet alleen van een deel zijns volks, maar van verscheidene stukken zwaar geschut aftrekken moest.
     Volgt men dien Broerdijk, dan kan men langs de Kleefsche baan in eene drie kwartier het hotel weer bereiken.
     Maar van dit punt biedt zich tevens de gelegenheid voor eene grootere en aangename wandeling aan. Men ga het »Geldersch hof« voorbij, tot men den met prachtige lindeboomen omzoomden wegop Groesbeek. heeft bereikt, waar men op den hoek in de uitspanning het Groenewoud — voorheen het Dorado der Nijmeegsche jeugd, die hier 's zomers allerprettigste kinderpartijen hield; — waarom wordt die goede gewoonte meer en meer afgeschaft? — een oogenblik kan rusten, met het oog op de bosschen der landgoederen het »Heijendaal« en »Brakkestein« en met het land van Kuijk en Brabant in 't verschiet.
    Dan volge men den weg in de richting van Groesbeek, voorbij enkele buitenverblijven, en het landgoed Marienboom tot de herberg de Ploeg [red.: thans Heilige Landstichting]. Hier, bij die zware linde, dalen wij links af, om vervolgens rechts om te slaan; dit is de ingang van de Westermeerwijk, wij zijn dus spoedig weer op bekend terrein. Men kan ook zijne wandeling langs den Groesbeekschen weg voortzetten, totdat men, na een vrij steilen heuvel te hebben beklommen, aan den anderen kant ter linkerzijde een weg ontdekt, recht tegenover het reeds door ons bezochte landgoed de Bakkersberg of het Nieuwland ; ook deze voert ons op den weg door de Meerwijk, die langs den koepel [red.: die lag tegenover het 'kasteeltje van Deus' in het bos], de Westermeerwijk en den Uilenput op den weg van Berg-en-Dal naar Groesbeek uitloopt en dien we reeds vroeger bewandeld hebben.
Vroeger kon reen over de heuvelen en door de bosschen van Marënboom en langs den Bakkersberg de Meerwijk bereiken. Thans evenwel is Mariënboom voor het publiek gesloten en bestaat er niet langer een pad, dat het achtergedeelte van den Bakkersberg met de Meerwijk verbindt.


Bron: Het Nieuws van de Dag N°. 3171. Woensdag 30 Juni 1880.