
De Wijkkrant besteedt aandacht aan alle begraafplaatsen in Oost. In het februarinummer kwam de begraafplaats op de Daalseweg aan bod. Niet geheel toevallig, want deze maand staat natuurlijk in het teken van de herdenking van het grote bombardement op 22 februari 1944. Op de Daalseweg herinnert daar veel aan. Tekst en foto's: Ton Burgers.

Bart Janssen, bestuurslid van In Paradisum, een stichting die zich voor een aantal Nijmeegse begraafplaatsen inzet, leidt me rond op het indrukwekkende terrein aan de Daalseweg. Op deze plek ontkom je niet aan het grote bombardement van februari 1944 door Amerikaanse vliegers op het centrum, waarbij rond de achthonderd slachtoffers vielen en waarvan velen hier liggen. Op 22 februari om 13.15 uur is hier een herdenking. En op 24 februari om 13.00 uur eis er een extra rondleiding.
Bridge of Joker
Bij de ingang wijst Bart me meteen op het gracieuze monument rechts met de twee engelen. Op de steen staat gebeiteld: Maagdenpalmen/De gouden dubloen/De nachtelijke zangers/Liederen en liedekens/Om de keizerskroon/Koning Karel en Widukind/In de verdrukking. Raadselachtig. “Dit is het graf van Van der Lans, onder andere hoofdredacteur geweest van de Gelderlander. Dit zijn alle boektitels die hij heeft gepubliceerd.” Aha, een raar soort reclame op een rare plek. Aha, een vorm van postume reclame.
We beginnen onze wandeling en lopen onder de rij machtige bomen. Bart: “In 1885 werd deze begraafplaats aangelegd, ontworpen door stadsarchitect Weve, die hier ook begraven ligt. Er zijn hier keldergraven en zogenaamde zandgraven. Keldergraven herken je aan een opgemetselde rand. Daaronder is een open ruimte waar de kisten worden ingezet, vaak op stangen. Soms liggen er twee mensen in, maar verderop is er eentje met 58 priesters en er is ook een vergelijkbare met zusters. Dat hou je niet voor mogelijk, de oppervlakte van die kelders. De stoffelijke resten van alle mensen die hier ooit begraven zijn, liggen overigens nog steeds op diezelfde plek, bij de zandgraven werden ze soms wel iets dieper gelegd, zodat er weer een nieuw graf bovenop kon. De meeste graven zijn zo wel drie keer overgraven. Er liggen in totaal zo’n 25.000 doden hier. En dat terwijl op dit terrein tussen 1948 en 1995 geen nieuwe begravingen waren toegestaan, alleen bijzettingen in bestaande kelders. Er was een poos zelfs sprake van dat de begraafplaats grotendeels geruimd zou worden. Maar gelukkig heeft een burgerinitiatief en later In Paradisum dat weten te voorkomen.”
We lopen naar het centrale punt van het terrein, daar waar het grote kruis staat, dat komt van het geruimde deel van de begraafplaats aan de Stenenkruisstraat. “In de buurt van het kruis liggen natuurlijk de rijkere mensen, men had het idee dat er dan meer kans was in de hemel te komen.” Inderdaad, voorname namen staan er op diverse familiegraven: Dreesman, Vroom, Jurgens, Dobbelmann, Terwindt. O ja, daar het graf van een koormaatje van me, die heeft zich stiekem genesteld tussen de hoge heren...
“Hier, vier kelders naast elkaar: vier grote Nijmeegse ondernemers waaronder Verheij van de schoenfabriek, de Nimco. Dat waren kaartvrienden en die hebben samen dit stukje grond hier gekocht. En dan vertelde ik bij rondleidingen altijd dat ze met z’n vieren bridgden, maar toen was er een keer de zoon van een van hen erbij, en die zei: ‘Mijn vader kon alleen maar jokeren’. Ja haha, het zit in de details he.”
Bombardement 22 februari 1944
Bart wijst op een eenvoudig houten kruis van ongeveer anderhalve meter hoog. “In 1994 heeft een werkgroep vijftien van deze symbolische kruizen laten maken, want toen dacht men nog dat dat het aantal bombardementsslachtoffers op deze begraafplaats was. Ik ben dat toen eens gaan uitzoeken en het bleken er 306 te zijn! In mijn boek ‘De pijn die blijft’ uit 2005 geef ik alle slachtoffers van het bombardement van 1944 een gezicht. Bij iedere naam hoort weer een verhaal. Zo was er een man die die dag de stad uit was en bij terugkomst moest vernemen dat z’n vrouw en vijf kinderen waren omgekomen. Hij heeft z’n vrouw nog wel kunnen identificeren. De volgende dag realiseerde hij zich dat hij de trouwring was vergeten. Hij terug naar de Veilinghal, daar lagen toen alle stoffelijke resten. Bleek die ring met vinger en al de avond ervoor weg te zijn geknipt. Ja, dat gebeurde toen ook hè. Maar ook velen konden amper of niet geïdentificeerd worden. Het moet met zo’n kracht gebeurd zijn, en daarna natuurlijk de grote branden.
Op die fatale dag zijn 24 kinderen van een kleuterschool in het centrum omgekomen, maar ook acht zusters die bij hun school hoorden. “Dit huisje, met dat kruis erop, is een monument voor de kinderen. Hier wordt straks op 22 februari natuurlijk ook stilgestaan bij de herdenking van het bombardement. Kijk, hier om het hoekje staan alle namen van de kinderen. Ooit heeft iemand een aantal letters ervan afgebikt, zie je, die ‘k’ is nieuw en die ‘m’ bijvoorbeeld ook. Diegene wou er een eigen naamplaatje van maken voor thuis op de deur. Hoe bedenk je zoiets, letters stelen van dit monument! En ken je het verhaal van de meisjes van Haspels: dat was een sjiek modemagazijn naast de school; achttien jonge naaisters en een chef zijn toen omgekomen. Die liggen ook hier.”
Knikkervriendje
Bart bukt bij een graf en raapt een knikker op die in het zand ligt. “In mijn boek beschreef ik een jongetje, Breunis, die was gaan knikkeren met een vriendje, Henkie. Het was onduidelijk of die Henk ook was omgekomen. Een tijdje nadat het boek was verschenen gaf ik weer eens een rondleiding hier en toen hing er ineens aan dit graf een zakje met drie knikkers en een briefje waarop stond: ‘Van je knikkervriendje Henk’. Mooi he? En hier het monument waar de verzetsstrijder Jan van Hoof heeft gelegen. Hij is bij de Hezelpoort neergeschoten en bij het Kronenburgerpark tijdelijk begraven. Toen naar Rustoord overgebracht, aan de Postweg in Oost. Na de oorlog naar dit graf en in 1971 is ie wéér herbegraven, nu definitief op de erebegraafplaats Vredehof, op de Weg door Jonkerbos.”
Het verdriet van Nijmegen
“Maar het hield niet op met de ellende in Nijmegen. Want er volgde natuurlijk nog de ‘Frontstadperiode’, hè, toen Nijmegen een half jaar lang in de vuurlinie lag van het Duitse leger enerzijds en Amerikanen, Britten en Canadezen aan de andere kant. Ik vermoed dat er in die tijd meer slachtoffers zijn gevallen dan die ongeveer achthonderd van het bombardement. In september komt een boek van me uit over de hele oorlogsperiode, dat gaat heten ‘Het verdriet van Nijmegen - 40-45’.”
Er sjezen twee luid kletsende jongens op de fiets op een pad verderop, toch echt geen doorgaande route. Ondanks de kou nestelen ze zich op een bankje en delen een fles drank. “Ik heb een keer gezien hoe een man schichtig wegrende. Bleek dat hij in een tombe een tapijtje had gelegd, er stonden schoenen en er lag een dekentje.’s Nachts slapen hier trouwens nog steeds zwervers, en junks laten er hun spuiten achter. Er zijn in het verleden vernielingen geweest op de begraafplaats en er is koper en brons gestolen, wie doet toch zoiets?”
Ik wijs op diverse gaten in een groot monument. Ook vandalisme? “Nee, in de maanden dat Nijmegen Frontstad was, hebben de Amerikanen hier hun afweergeschut geplaatst, dit zijn kogelinslagen van de Duitsers die het geschut hier wilden uitschakelen.”
De Daalseweg is opgericht als dé katholieke begraafplaats van Nijmegen, maar inmiddels kan iedereen er z’n plekje zoeken. “Vroeger was er een rand bij het oude zwembad, dat was ongewijde grond. Daar lagen bijvoorbeeld mensen die zelfmoord hadden gepleegd of doodgeboren en dus ongedoopte baby’s. Dat is toch wel tragisch he?”
Hé, Louis Sevèke, de vermoorde journalist en activist, die ligt ook hier. Er staat een bankje bij z’n graf met z’n naam erin gegraveerd, mooi. Hij ligt in hetzelfde rijtje als een oude voetbalmakker van me, ontdek ik nu.
Bart heeft een laatste verhaal: “Vorig jaar kwam er een geëmigreerde meneer even over uit Nieuw-Zeeland. Hij staat zo voor dit graf met zes jongens en zegt: ‘Weet je, ik stond samen met deze schoolvriendjes op de tram te wachten, maar ik had maar negen centen in m’n broekzak, terwijl een ritje tien cent kostte. Toen ben ik maar gaan lopen, terwijl zij instapten op die 22e februari. Niemand uit die tram heeft het overleefd.’ Die man stond er zó verslagen bij toen ie dat vertelde. En toch was hij ook blij dat dit graf er nog was. Ja, er zijn zo veel verhalen hier te vertellen. En ook zo veel toevalligheden, waardoor mensen de dans ontsprongen. Of juist ook andersom, hè.”
Bart vertelt er, bescheiden als hij is, niet bij dat hij als pasgeboren baby op het nippertje aan het bombardement is ontsnapt, dit kwam mij pas later ter ore. Een bom sloeg in in het achterhuis op de Ziekerstraat, waar Bart en z’n familie seconden daarvoor nog stonden.