Ik kom graag op begraafplaatsen. In parken zijn we uitgelaten: zowel honden als hardlopers, zowel peuters als pubers. Heerlijk, die levendigheid, maar als ik me wil terugtrekken uit het stadse gewoel, is een begraafplaats ideaal. Een oase van ingetogen groen. Begraafplaatsen vormen al gauw een derde van het groenareaal in een stad. Nijmegen telt bijvoorbeeld evenveel begraafplaatsen als parken: 13. De rijkdom aan boomsoorten is er ongewoon groot, vergeleken met een stadspark.
En als je de graven bestudeert trekt de grote geschiedenis aan je voorbij. Je ziet grafzerken van Britse soldaten die de Spaanse griep kregen, verzetstsrijders, slachtoffers van het bombardement, van KNIL-militairen uit de Oost. En als je van lokale geschiedenis houdt: kijk er eens rond of je prominente Nijmegenaren kunt vinden als Pierson, Peeman, Kraijenhoff, Corduwener, Quack, Noorduijn, Goes van Naters, Truus Mast, Hans van Delft, en Wout Pennings.
Begraafplaatsen zijn oases voor de ziel, maar ook voor de natuur. Een fraaie plant als heelbeen met zijn frêle rozewitte bloemetjes blijkt in Nederland nog vrijwel uitsluitend op oude begraafplaatsen voor te komen. Op Rustoord zag ik voor het eerst aardsterren (paddestoelen) dankzij een tip van Frans Beulen. Rustoord telt ook vele fraaie boomsoorten waaronder taxus, thuja, Atlasceder, douglasspar en vele andere. In de nacht is dit het rijk van de vleermuizen, bosuilen, steenmarters en vossen.
Begraafplaatsen zijn oases voor de natuur, maar ook voor de ziel. Het voelt er net iets lichter dan elders in de stad. ‘Licht’ symboliseert misschien wel het hiernamaals. In beide betekenissen: we zullen er bevrijd zijn van zwaarmoedigheid en moeizaam geploeter en licht worden als een vlinder of verse sneeuwvlok. Ook hoop ik dat we er worden ‘verlicht’: dat onze duisternis zal worden opgeheven. Onbegrip en ongeloof, verdachtmakingen en vooroordelen: alles wordt kristalhelder.
Beelden van begrafenissen komen boven. Hoe we schoorvoetend lopen over het knerpende grind, samen zwijgend rondom het graf staan. De opwaaiende bladeren, het geruststellend ruisen van bomen. Hier is tóch troost te vinden. Een eekhoorn roetsjt langs een stam, als een glimlach van boven.
Ik ben de enige Kor Goutbeek, maar er was er ooit nog een: mijn opa. Hij werd begraven op een stralende dag in oktober: heel gepast zongen de vogels alsof de lente in de startblokken stond. De zonnegloed deed de bloemenkleuren nog een keer opvlammen. Opa was zijn leven lang geboeid geweest door vogels, bloemen en bomen. Dat hadden wij in elk geval gemeen. Kor Goutbeek, ik hoop dat we ooit weer samen aan een lange tafel zitten, onder het lover van een oude eik…