Onlangs heb ik mijn eerste eigen huis gekocht. In afwachting van de opknapbeurt heb ik nu twee woningen. Toch heb ik weinig last van woonschaamte, want ook qua wonen ben ik een laatbloeier. Dat komt waarschijnlijk omdat ik iets te vroeg geboren ben, waardoor mijn toekomst steeds iets later begint dan bij anderen.
De eerste paar weken van mijn leven bracht ik door in het Josefziekenhuis. Waarom is niet helemaal duidelijk. Sommigen zeggen dat het verplegend personeel me langer onder de vleugels hield omdat ze zo’n knappe baby nog nooit hadden meegemaakt. Ik was hun speelpop. Ik werd stiekem omgeruild met andere baby’s of verstopt op rare plaatsen. Omdat ik tien centimeter lang gitzwart piekhaar had konden ze me altijd wel weer terugvinden, dus kwaad kon het niet. Mijn moeder vond het na een paar hartverzakkingen ook wel geinig, want verder viel er in die tijd weinig te beleven.
Mijn eerste woning was een couveuse, maar ook daarna raakte ik nooit echt ruim behuisd. Ik sliep met mijn broertje in één bed, pal naast het ledikant waarin mijn zusje en tante Marie lagen te knorren. Verderop sliepen pa en ma, boven de koeien ome Jan en in de kamer naast ons lag oma te verglijden.
Groepswonen bleef lang op mijn pad. Toen ik ging studeren huisde ik bij hospita’s en in studentenflats, en toen de toenmalige woningnood op zijn hoogst was stichtten we met z’n twintigen een eigen woonvereniging en kochten vijf huizen. Groepswonen had mooie en mindere kanten, net als alles in het leven. De tering naar de nering, dat was toen eenmaal zo.
De geschiedenis herhaalt zich, maar tijden veranderen. Nu moet de nering naar de tering, onze ego’s hebben ruimte nodig. We hebben 300.000 woningen tekort, niet omdat er te weinig huizen zijn of te veel asielzoekers, maar omdat we anders zijn gaan leven. Het aantal alleenwonenden is vertienvoudigd, echtscheiding werd een vast programmaonderdeel van ons liefdesleven en ouderen worden opgehokt in eigen huis. Hierdoor is het gemiddelde woonoppervlak gestegen van 10 naar 60 vierkante meter per persoon. Woonverdunning noemen ze dat.
Met dit in het achterhoofd is de oplossing voor het woningprobleem redelijk simpel: we laten de geschiedenis zich herhalen en richten ons op woonverdikking. Net als na de oorlog wordt het voor ruimwonenden verplicht om mensen in huis te nemen. We voeren vrijgezellenbelasting in, verbieden echtscheidingen en stoppen zeventigplussers bij elkaar. Probleem opgelost en het leven wordt nog gezelliger ook.