Hent Peters, spraakwaterval én bovenal marktkoopman van het vroege uur van de Nimweegse Luzemert verruilde onlangs zijn woning in hartje centrum voor een appartement aan de rand van Nijmegen-Oost. Het was effe wennen, ‘Maar ik heb nou wel schik hier, heur!’
Tekst Anna Bakker, Foto's Bert Hendrix
Het was een kort nachtje, vertelt Hent, terwijl hij koffie maakt. Tot 4 uur die ochtend was hij bezig geweest met het leegruimen van een huis van een dementerend echtpaar, voor de derde nacht al. Het moest in het donker, de familie wilde graag dat het in stilte zou gebeuren, dat de buurt het niet meekreeg. Gewapend met een flinke lading bananendozen was hij er naartoe gereden.
Regelmatig wordt hij gevraagd een huis uit te ruimen. Jongere mensen, die het huis van hun ouders leegmaken, willen zelf dat ouderwetse spul niet hebben. Soms ziet hij ze later nog wel eens terug op de luzemert. ‘Hee Hent, heb je dat kastje van mijn moeder nog?’ 'Maar ja, dan zijn ze te laat.'
Ook als iemand kleiner gaat wonen benaderen ze hem. Veel, maar niet alles, neemt hij mee. Sowieso geen persoonlijke spullen, en de oude klok: die gaat ook niet mee. ‘Doe het nou maar, hang hem maar op in je nieuwe huis, dan zul je je meteen een stuk prettiger voelen als je in de nacht het vertrouwde tikken van de klok hoort.’
Met zijn 81 jaar is één huis per week genoeg. Hij moet ook nog tijd over houden voor de fysio en de huisbezoeken.
Broeders en zusters
In de nieuwe woning lijkt alles zijn plek te hebben gevonden. Voorwaar geen sinecure, want van de vloer tot aan het plafond staan honderden beeldjes van glas en porselein, en dat alsof ze er al jaren staan. Verder heeft Hent een kamer gewijd aan Nijmegen, een andere ruimte is studiekamer. Hij is immers ook een boekenwurm én Jehova's getuige.
Een van de pronkstukken waar hij graag in leest over de Here - Jehova - is een bijbel uit 1618. Zijn geloofsgenoten, de mensen van de broederschap en zusterschap, zijn allemaal ‘in de waarheid’. Wat niet wil zeggen dat hij mensen andere opvattingen niet in hun waarde laat, vertelt hij. Want hij heeft wel gemerkt dat daarover wat misverstanden bestaan.
'We zijn allemaal mensen, je moet een geloof niet verplichten, geen dwang uitoefenen. Ik geloof uit vrije wil. En dan heb je ook vreugde, met alle soorten mensen.‘
‘De broederschap heeft me geweldig geholpen’, vertelt Hent, over de verhuizing. Met hun wagens kwamen ze allemaal op de grote dag, zelfs met een bus, en zo werd alles overgehuisd, de zware meubels in en uit elkaar geschroefd, op een goed plekje gezet, schilderijtjes aan de muur gehangen.
Oorlogsherinneringen
Hent groeide op in de onderstad - zoals hij het zelf noemt, nu meer bekend onder de naam Benedenstad - waar hij aan het begin van de oorlog werd geboren. Er was veel armoede, herinnert hij zich.
De oorlog ging bepaald niet ongemerkt aan hem voorbij. In de kelder van het ouderlijk huis lagen Engelse soldaten ingekwartierd.
Vanwege de verjaardag van tante Annie, op 22 februari 1944, gingen Hent en zijn zusje niet naar de bewaarschool, maar op verjaarsvisite en waren dus niet thuis tijdens het bombardement. Aggie, een andere zus van vader, was even daarvoor nog naar de stad gegaan om een cadeautje te halen. Ze kwam niet meer terug, werd drie dagen later gevonden onder de toren van de Stevenskerk, die door de luchtdruk van het bombardement was ingestort.
Na het bombardement vond de familie hun toevlucht in een woning aan de Van Goorstraat. Zeven maanden later, in september '44, moesten ze wederom vluchten, toen voor het granaatgeweld. ‘Iedereen heeft het altijd over het bombardement, maar de granaatinslagen waren minstens zo erg, of erger. Toen waren er veel meer doden.‘
Ze kwamen in Wijchen bij een boer terecht, waarmee een tijd getekend door honger aanbrak. ‘Overdag moest ik appeltjes jatten bij de varkens, varkensvoer dus. Meer dan het zelfgebakken brood en die appeltjes was er niet.’
Aan de kost!
Na de oorlog keerde de familie terug in Bottendaal. Moeder stuurde Hent dan weleens om boodschappen in de Lange Hezelstraat. Het centrum en de onderstad waren grotendeels verdwenen. Onderweg passeerde hij de Pepergas, waar de hoeren zaten. Ze kenden hem nog. 'Hentje!', meestal was het 'tante Anna' die hem riep. Of hij twee repen Mekka wilde halen bij Van Dungen. Daarvoor kreeg hij dan twee gulden vijftig mee. De rest mocht hij houden. Er waren meer 'tantes', ze wilden ook allemaal chocola, beloonden hem ook grif.
De opbrengst verdween in zijn sok. Eenmaal thuisgekomen viel het moeder op dat hij niet lekker liep. 'Hentje, wat loop je raar!' 'Valt wel mee, moeder.' 'Schoen uut!' Kwam al dat geld eruit rollen. Daarna wilde ze wel weten hoe hij aan al dat geld kwam. 'Ja, boodschappen gedaan, voor de vrouwen van de Pepergas.' 'Maar Hent, dat zijn allemaal hoeren.' 'Wat zijn dat, hoeren?' Moeder nam het geld alsnog in beslag. Wel kreeg hij een dubbeltje mee om bij Davino een ijsje van een dubbeltje te halen. 'Niet aan je zussen vertellen, hoor!'
In de naoorlogse jaren droeg Hent Engelse jasjes, op maat gemaakt door moeder die coupeuse was bij de V&D. Ze waren blijven liggen in de kelder; geen enkele Tommie had de oorlog overleefd. Ook zette moeder haar schaar in parachutestof, waardoor Hents zussen weer in een nieuw jurkje rondliepen.
Vader had een slagerij aan de Van Goorstraat. Hentje werkte al jong mee, het was daarmee al snel afgelopen met school en zijn jeugd. ‘Werken was het, en hard!’ In de slagerij maakten ze onder andere worsten en balkenbrij, was er een pekelkelder en een rookkamer.
Maandag was slachtdag. Om vier uur in de ochtend togen Hent en zijn vader met twee paarden voor de wagen naar de boeren om vee in te kopen, zelfs tot in het land van Maas en Waal. Terug ging het met twee koeien op de kar of anders zes varkens of een extra paard. De gang daarna was het slachthuis en dan Café Terminus dat stampvol zat met boeren die net zaken hadden gedaan.
In de avond fietste Hent terug om de boeren uit te betalen voor het gewicht aan vlees dat het vee had opgeleverd. Soms kreeg hij zo'n grote zilveren knaak als fooi, die ging meteen in de zak, met een veiligheidsspeld er overheen. Op de terugweg naar huis voelde zijn hand regelmatig of hij hem alsnog niet verloren had.
Zo fietste Hent heel wat af met de transportfiets - met houten klossen op de trappers, want hij was niet zo groot. Toen hij ook nog vlees ging bezorgen leerde hij Nijmegen - ook Oost - op zijn duimpje kennen, kwam in Heumen, Weurt, Persingen, Erlecom.
Over krupen, blote voeten en de Sint Steven
‘Door mijn jeugd en de oorlog kan ik waarderen hoe rijk ik het nu heb. Als ik mensen hoor klagen denk ik daarom weleens: maar ze hebben het toch eigenlijk geweldig goed?’ Toch, sommige mensen hebben het echt moeilijk. Dat ziet hij op de markt waar hij klanten heeft die voor gratis kleren voor hun kinderen komen.
Als Jehova's getuige doet hij sociaal werk. Hij legt huisbezoekjes af bij ouderen die eenzaam zijn, ook niet-Jehova's getuigen. Mensen waar hij via de markt mee in contact komt. Hij maakt er dan iets leuks van door een bloemetje mee te nemen of wat lekkers. Op verzoek soms een gebakken bokking, van de viskar. Jaren geleden lag een bekende van hem in hospice Bethlehem. Met enorme trek in een biertje. Voor hem smokkelde Hent een paar beugelflessen Grolsch naar binnen.
De mensen die hij bezoekt zijn vaak echte Nijmegenaren. Het hele gesprek gaat op zijn Nimweegs en als de stemming er goed in zit, zingen ze liedjes van vroeger, op zijn Nimweegs uiteraard. Zo ook bij Dekkerswald waar hij regelmatig een groep dementerende ouderen bezoekt. Daar wordt uit volle borst meegezongen met ‘Al mot ik krupe’ en ‘Moeder het is weer mis, omdat het een Nijmeegse jongen is‘.
De bezoekers aan zijn kraam bij het Marikenbeeld zullen het herkennen, ook daar kreeg hij laatst op maandagochtend nog zo'n dertig mensen aan het zingen, over krupen, blote voeten en de Sint Steven. ‘En leuk dat ze het vonden!’
Hé Sjembek!
Nog niet zo lang geleden liep hij met zijn wagentje over de stoep aan het eind van de Berg en Dalseweg - een brief van Hent over het slechte onderhoud van de tegels aldaar moet inmiddels ergens op een gemeentelijk bureau liggen - toen een bekende van de markt hem aansprak. ‘Hé sjembek! Ben je de weg kwijt? Je woont toch in het centrum, Hentje?’ Uhh, nee! Hij was niet in de war: ‘Ik woon hier!’. Ze moesten er samen wel om lachen.
Hij wandelt veel door de wijk, geniet van de kinderen die hij buiten ziet spelen en voetballen. Op zo’n tocht, naar een van zijn broeders of zusters van de gemeenschap, ontdekte hij het Limosterrein. 'Prachtig!” Al denkt hij ook dat niet veel mensen echt zien hoe mooi die bomen wel niet zijn, hoe schitterend het groen en ontspannen het daar wel niet is.
Nu Hent onderhand een beetje geland is in Oost, herkent hij vaker namen van rasechte Nijmeegse families; zo ontmoette hij onlangs de kleindochter van turfschipper Pijman en een familielid van voorheen dansschool de Goey. Vooral met de onderstatters, die via de noodwoningen op de Kopsehof of de Driehuizerweg in de wijk terecht zijn gekomen kan hij veel herinneringen ophalen. ‘Echte Nijmeegse mensen zijn niet eenkennig en voelen zich niet meer dan een ander.’ ‘De mensen hier op straat groeten elkaar. Ik maak zelf graag een praatje, ook met mensen die ik niet ken. Daardoor ben ik al vaak uitgenodigd om op de koffie te komen.’
En dan dit nog
Kortom, Hent is erg tevreden over zijn nieuwe stek. “Alleen die hardrijders hè! Midden in de nacht gaan ze met wel een vaartje van 80 over de verkeerdrempels aan de Hengstdalseweg. Boem!’ Hij ergert zich er groen en geel aan. En hij is niet de enige in de straat. ‘Schandalig dat ze zich niet aan de regels houden. Zet dat maar in de krant.’
Het is dat u het weet.