Dit bijzondere verhaal begint voor mij op de verjaardag van een gezamenlijke vriend in Enschede. Daar ontmoette ik Paul Glaser. Een innemende man met sprekende ogen, een man die zijn verhaal goed kan vertellen, een verhaal met een stevige basis in Nijmegen-Oost.
Tekst en fotografie: Marc van Kempen
www.marcvankempenfotografie.nl
Al eerder had ik over het bijzondere verhaal van Paul gehoord. Nu stond ik bij het buffet oog in oog met hem. Dit moment was slechts een klein deel van een veel groter geheel. Een afspraak voor een interview was al snel gemaakt, want Paul vindt dat zijn verhaal over tante Roosje doorverteld moet worden. Een verhaal dat waarschijnlijk nog niet echt bekend is onder de bewoners van Oost. Het levensverhaal van zijn Tante Roosje en zijn eigen aandeel in dat verhaal; Paul vertelt en ik vraag…
Het verhaal en de start vanuit Paul
“Ik ben katholiek opgevoed in Maastricht en ik heb daar nog les gehad van Huub Oosterhuis. Van dat Joodse verleden plus wat daar gebeurd was, wisten wij als kinderen, geboren na de oorlog, niets. Om daarmee naar buiten te komen was nogal iets. Maar dat even terzijde, want daar kom ik later op terug.
Je moet ook weten dat ik in Maastricht een geschiedenisleraar had en die had in mijn ogen ‘een tik’ met betrekking tot alles wat met de Tweede Wereldoorlog te maken had. Hij liet ons talloze filmpjes en documenten zien die ooit in concentratiekampen zijn gemaakt. En ik was er op een gegeven moment ‘wel klaar mee’. Al die ellende. Ik was zelf nog nooit, bijvoorbeeld voor een excursie, in een concentratiekamp geweest. Mijn kinderen wel. Ik had na mijn schoolperiode nooit behoefte om zo’n kamp te bezoeken. Het was voor mij een soort ramptoerisme. Op een gegeven moment was ik directeur van een ziekenhuis en we waren op een conferentie van Europese ziekenhuisdirecteuren in Krakau. En je zit doorgaans binnen bij een conferentie. We spraken met een paar collegae af om het weekend te blijven om de mooie stad Krakau te gaan bezoeken.
En wat hadden die collega’s nou gedaan? Die hadden een busje gehuurd met een reisgids. Echter, ik had me niet gerealiseerd dat Auschwitz zo dicht bij was. We moesten in het busje en we gingen naar het voormalige kamp. Wat krijg je daar onder andere te zien krijgt, is een ruimte met een berg brillen, een berg schoenen, een berg met haren, sommige met de vlecht er nog in. De gids was nogal enthousiast. Maar ik kende dat allemaal natuurlijk al van mijn middelbare school, voor mij hoefde het niet opnieuw, dus ik ben weggelopen van de groep. Ik wilde het gebouw uit en op weg naar buiten kwam ik langs een ruimte met allemaal koffers. Koffers met daarop de naam van de eigenaar en het land van herkomst erop geschreven.”
De koffer
“Plotseling zag ik in het midden een grote, bruine koffer staan met daarop ‘Glaser’ en ‘Nederland’ erop. In Nijmegen kwam je de naam Glaser destijds wel tegen, maar verder in Nederland zeer weinig. Dat was voor mij een enorm grote shock en ik stond als vastgenageld aan de grond. Ik was helemaal alleen in die ruimte en dat maakte het ook een beetje apart. Die koffer was een bijna grijpbare getuigenis van de geschiedenis van mijn familie. Dus toen ik bekomen was van de shock rende ik naar buiten.
Mijn collegae/vrienden waren nog binnen en die zouden langs die ruimte met koffers komen en die ene koffer zouden ze ongetwijfeld ook gaan zien. Ik kon geen kant meer op. Op een gegeven moment kwamen ze naar buiten. Sommigen zeiden ‘Hé Paul, heb je dat gezien? Jouw familienaam op de koffer’. Daarop probeerde ik wat ontwijkend te antwoorden. In het busje terug naar het hotel was ik erg in mezelf gekeerd. Die koffer bleef maar door me heen gaan. Ook heb ik die nacht nauwelijks geslapen, omdat ik mijn hersenen niet tot rust kon brengen.”
“Jongen, hou het geheim”
“Ik had er nooit over gesproken, maar ik heb ooit iets per ongeluk ontdekt wat ik mijn vader voorhield. Hij heeft nooit iets over zijn oorlogsverleden willen vertellen. Mijn vader heeft me, toen ik iets van het verleden had ontdekt, wel gezegd: “Jongen, zo was het, maar hou het geheim, want vroeg of laat zal het tegen je gebruikt worden”. Ik ben in de zestiger jaren opgegroeid en dan doe je alles wat je ouders je verboden hebben, maar intuïtief heb ik die belofte in die jaren wel gehouden.”
De omslag
“In Krakau ben ik teruggegaan naar mijn kamer, omdat ik dat beeld van die koffer maar niet uit mijn gedachten kreeg. En omdat ik al een tijdje met mijn verleden worstelde en mijn vrienden ernaar bleven vragen, heb ik besloten om alles prijs te geven. Die koffer was daarin kennelijk de omslag naar openheid. Daarmee heb ik de ‘belofte’ aan mijn vader gebroken. Omdat het verhaal hierachter zo bijzonder is, dat dit doorverteld moet worden.
Het verhaal van mijn tante uit Nijmegen-Oost. Wat zij in haar leven meegemaakt heeft, is zo extreem bijzonder, dat het bekend moet worden en niet meer geheim mag blijven.”
Het ‘pact’
“Ik ben dus heel katholiek opgevoed en had totaal geen idee dat ik Joodse wortels had. Mijn tante Roosje woonde destijds in Zweden en zij vertelde ook niets. Zij en mijn vader John, haar broer, hadden een soort ‘pact’ gesloten dat ze niets tegen de naoorlogse kinderen zouden vertellen over de oorlog, omdat de kinderen daar niet belast mee mochten worden. Dat was ze gelukt - en ik had een gelukkige jeugd.
Een sluier en de ontdekking als jongeman
Op mijn 35ste werkte ik bij een internationale instelling in Nederland. Er was een jonge Oostenrijker en we raakten bevriend. We kwamen aan de bar te spreken over familienamen. De naam Glaser kwam daarbij naar boven en ik vertelde hem dat je die naam weinig hoorde. Waarop de Oostenrijker zei dat die naam in Wenen, waar de Oostenrijker opgegroeid was, vóór de oorlog veel voorkwam. ‘Een Joodse naam’, zei de Oostenrijker. In mijn hoofd gonsde het dat ik katholiek opgevoed was, maar toch bleef die laatste op
Oma
“Op een gegeven moment heb ik mijn oma opgezocht in Tilburg. Zij was ook mijn peettante. Zij was niet Joods. In Maastricht was het geen probleem als je niet katholiek was; je hoorde er in die tijd gewoon bij. Het was geen punt in Maastricht. En ik was dus katholiek. We dronken een vieux en op een gegeven moment klets je over de familie. Toen heb ik gebluft, want wat mijn Oostenrijkse vriend gezegd had zat nog steeds in mijn hoofd. en zei: ‘Ik weet dat mijn vader Joods is’ - maar ik wist dat niet echt. Mijn oma vervolgde het verhaal alsof er niets aan de hand was en daarmee bevestigde zij, zonder het zich te realiseren, mijn vermoeden. En dan heb ik het nog steeds niet over mijn tante Roosje. Alle bijzonderheden rondom haar, daar kwam ik in mijn latere leeftijd pas achter.”
Shock
“Het gekke was dat ik het toch als een shock heb ervaren, dat ik deels van Joodse afkomst was. Ik vermoedde dat er een kans was dat het zo was, maar heb het desondanks toch zo ervaren door die bevestiging. En dat komt, denk ik, omdat ik dat niet rechtstreeks van mijn vader te horen heb gekregen. Die zweeg daarover tot op zijn sterfbed. Mijn shock was zelfs zo groot, dat ik mijn oma ben vergeten te vragen wat er dan allemaal gebeurd was en waarom dat alles geheim gehouden is.
In bed bedacht ik me ‘Wat moet ik hiermee’. Ik had ook totaal geen gevoel bij het Jodendom, wist er ook niets van; er was altijd gedoe in Israël en misschien nog wel meer dan op dit moment.”
Buiten mijn leven houden
“Ik besloot om dit buiten mijn leven te houden. Ik had een leuke baan, interessante vrouw en opgroeiende kinderen. Echter, in de latere jaren gebeurden een paar dingen in mijn leven die het moeilijker maakten om het buiten mijn leven te houden."
De achterneef
“Ik moest in Brussel zijn bij de Europese Commissie en had een afspraak over een project met een medewerker uit het kabinet van de betreffende Eurocommissaris - en die heette Glaser! Nieuwsgierig als we waren, zochten we of naar familiebanden, maar die konden we niet vinden. De tijd vloog en we moesten een nieuwe afspraak maken om over het project te praten. Tijdens die nieuwe afspraak vroeg hij me of ik een tante in Zweden had die Roosje heette. Zíjn vader was namelijk een volle neef van Roosje én van mijn vader John, zo had hij ontdekt. Wij waren dus achterneven. Ik vond dat leuk, niet meer dan dat, maar voor hem lag dat anders. Hij vertelde dat hij Joods was en dat ik de eerste familiegerelateerde Glaser was buiten het gezin waarin hij opgegroeid was, die hij ontmoette. Dat was voor hem bijzonder, omdat iedereen uitgemoord was in de oorlog. Zo’n gebeurtenis maakt het moeilijk om zoiets als Joods-zijn helemaal buiten je leven te houden.”
Niet meer te houden? De brieven
“Een paar jaar later kreeg ik een telefoontje van iemand uit Naarden. Ben je familie van Roosje? Er is een oude, eenzame Duitse dame overleden en bij het opruimen van haar kamer waren achterin haar bureau een stuk of dertig brieven gevonden van ene Roosje Glaser. Nieuwsgierig als ik was ben ik diezelfde avond nog vanuit Enschede met de auto naar Naarden gereden om die brieven op te halen. En die waren geschreven op wekelijkse basis vanuit kamp Westerbork en kamp Vught. Die Duitse vrouw hield een pension en was getrouwd met een NSB’er. In de oorlogstijd hebben Roosje en haar moeder in dat pension gelogeerd, toen ze moesten vluchten. Daar voelden ze zich veilig onder valse identiteit; ze had vervalste papieren georganiseerd. Wie zoekt nu bij een Duitse en NSB’er, maar door verraad zijn ze op een gegeven moment gearresteerd door een Nederlandse politieman met pistool. Het verhaal daarachter, daar kom ik nog op terug!
Deze twee zaken, de achterneef en de brieven uit Westerbork en Vught, maakten dat ik het niet meer volledig kon buitensluiten en nieuwsgierig werd naar het achterhalen van mijn familiegeschiedenis. Hoe zit het nou, vroeg ik me af. Ik ben verder gaan zoeken en vond foto’s uit onder andere Nijmegen-Oost en iemand met genealogische kennis hielp me erbij; we kwamen erachter dat ongeveer 90% van mijn familie uitgemoord is. Ik wilde weten wat voor mensen dat allemaal waren.”
Zwijgen
“Daarop ben ik naar mijn vader gegaan en heb hem mijn ontdekkingen voorgehouden en gezegd: ‘Het is ook mijn familie, wat denk je wel’. Hij zweeg en bleef zwijgen. En toen ik wanhopig en kwaad over zijn zwijgen de kamer weer uitliep, begon hij te praten. Het enige wat hij tegen me zei, waren de woorden dat ik erover zou moeten zwijgen, omdat het anders op enig moment in mijn leven tegen me gebruikt zou kunnen worden."
Band gebroken
“De enige die nog iets kon vertellen over de familie, was zijn zus Roosje. Maar het probleem was dat Roosje en John de banden hadden verbroken en daarom kon ik natuurlijk niet zomaar opbellen met de vraag of ik langs kon komen om over de familie van vroeger te praten. Mijn enige kans op contact was om onverwacht voor haar neus te staan.
Ik ben naar Stockholm gegaan en ik heb haar om 08.00 uur in de ochtend gebeld. Maar ik was niet welkom. Ik heb haar gezegd dat mijn vader niet wist dat ik daar was en dat ik wist van de kampen en dergelijke. Haar heb ik uitgelegd dat ik graag wilde weten hoe onze familieleden waren. Wat voor mensen waren het. Waren het vrolijke mensen of chagrijnen, wat voor werk deden ze. Kortom, de gewone dingen van het leven.”
Zo, nu weet je het!!
“Ze begon telefonisch aan één stuk door in hoog tempo te vertellen en toen ze klaar was zei ze: ‘Zo, nu weet je het en je bent niet welkom’. Daar nam ik geen genoegen mee en ik zei haar dat ik haar de dag erop rond dezelfde tijd terug zou bellen met dezelfde vraag en als ze dan nog geen contact wilde, dat ik dat dan zou respecteren en dat ik haar dan een mooi leven zou wensen. En weet dat ik nog nooit een foto heb gezien van mijn grootouder, jouw ouders, dat mijn vader zwijgt en dat jij Roosje de enige bent die me nog iets kan vertellen.”
Nijmegen-Oost
“De dag erop kon ik niet langer wachten dan weer ’s morgens 8.00 uur en een half uur later was ik bij haar binnen. Daar heb ik voor het eerst foto’s van mijn vader als kind gezien; foto’s van mijn grootouders; foto’s uit Kleve en Nijmegen-Oost.
Daarna heb ik verder onderzoek gedaan naar alles wat ik over Roosje kon vinden. Veel getuigen gesproken en nieuwe familieleden ontmoet. Familie van over de hele wereld. Die mensen zijn Joods en zelf ben ik dat half wel en half niet. Maar het schept toch een bijzondere band.”
Toevoeging
“Inmiddels heb ik het Joodse bestaan toch omarmd en ik zie het als een toevoeging. Niet als geloof, maar naast mijn gelukkige katholieke jeugd heb ik nu een Joodse dimensie, de humor, de manier van redeneren, het culturele en muzikale toegevoegd.
“Dat is mijn verhaal!”, zo rondt Paul af.
Volgende maand vertellen we het bijzondere levensverhaal van zijn tante Roosje (die haar roots heeft in Nijmegen-Oost) en onthullen we de betekenis van de opmerkelijke titel van dit verhaal: ‘Dansen met de vijand’.
Op de foto: We stellen u alvast Roosje Glaser voor.
- Wordt vervolgd -