Het traditionele Kerstverhaal van de Wijkkrant voor Nijmegen-Oost is ditmaal van onze columnist Tuk Melissen.
Soms laat het leven omstandigheden samenlopen tot situaties die je zelf niet zou durven verzinnen. Ooit wilde ik oorlogsfotograaf worden. Dat was in een tijd dat oorlogen zich voornamelijk afspeelden in landen met mooi weer, journalisten werden gerespecteerd, en je van een verkochte foto met gemak een half jaar kon leven in het werkgebied.
Kameraad en ik waren in El Salvador, in onze eerste poging tot journalistiek: een reportage voor de radio. Mijn stem werd door Hilversum niet als radiostem geaccepteerd, dus liet ik het praten over aan Kameraad en kocht zelf een fototoestel. Fotograaf, dat leek me wel wat. Altijd met je neus vooraan, en een foto is sneller klaar dan een video- of geluidsmontage, of die ellenlange artikelen voor het opinieblad.
Maar al snel bleek dat het bezitten van een camera mijn voornaamste talent was op fotovlak. Foute compositie, verkeerde moment en zelden scherp. De weinige mooie foto’s op mijn rolletjes bleken gemaakt door mensen die mijn toestel even wilden proberen. Dus hing ik het apparaat snel in de wilgen, temeer omdat ze steeds vaker op journalisten begonnen te schieten. Wegwezen dus.
Ons laatste avondmaal in Midden-Amerika was geen feest. Hoewel bijna alle tafelgasten Nederlands spraken, sprak iedereen Spaans. Gastheer Kees had een Nicaraguaans meisje geadopteerd. Ze heette Martha en was door hem gevonden nadat contra’s haar familie hadden vermoord. Martha deed het huishouden en Kees betaalde haar studie. Alleen op de wereld, maar wel veilig. Ontwikkelingshulp op microniveau. Voor haar sprak iedereen Spaans. Maar mijn Spaans lag ver beneden het tafelgemiddelde, waardoor de inspanning om de draad te blijven volgen zo hoog opliep dat ik kotsend in de plee belandde. Onuitwisbare herinnering aan mijn laatste dag als journalist.
Terug in Nijmegen rolde ik in een brave burgerbaan, maar Kameraad ging stug door op het journalistieke hobbelpad. Hij was per slot van rekening een kerstkind, dus wat kon hem nou in hemelsnaam gebeuren? Hij verkaste naar Spanje en werkte voor kranten, bladen, radio en tv. Onvermoeibaar, want voor elke goede journalist is onrecht de beste brandstof en onrecht is gelukkig ruim voorradig.
Zijn werk stuurde hem naar Zuid-Amerika, Oost-Europa en Afrika, maar zijn hart bracht hem naar Palestina. De eerste keer kwam hij er om verslag te doen van protesten tegen kolonisten op de Westelijke Jordaanoever, maar daarna ging hij vrijwel elk jaar. Hij raakte bevriend met een familie uit een dorpje vlak onder Bethlehem. Ze hadden het niet breed, maar deelden alles met hem. Ook het leed, dat als trage stroop hun dorp overstroomde. Kolonisten speelden knibbelknabbelknuisje en tien jaar later was er niks meer over van hun huisje. Maar dat was het ergste niet; elke paar jaar was er ook een gezinslid minder. Geveld door alles wat je zelf kunt bedenken. Een onstuitbare lavastroom van narigheid. Het kwam allemaal in de krant, maar helpen deed het niet.
Toch kwam er op kleine schaal een puntje licht. Er waren lezers die geld wilden doneren en Kameraad opende een fonds waarmee Hana, de jongste dochter, een opleiding kon volgen in Spanje. Vier jaar later - dat was vorig jaar - was ze volleerd verpleegkundige. Ze was van plan om snel weer terug te gaan, maar wilde nog even wachten tot de Kerst. Dan was er feest, want Kameraad werd 60. Hana vroeg of ze iemand mee mocht nemen die ze had ontmoet in het ziekenhuis waar ze werkte. Een leuke vrouw, iets ouder dan zijzelf. Een cardioloog, uit Nicaragua. Op kerstavond - ik was net in Barcelona aangekomen en stond bij te kletsen met Kameraad - ontmoette ik Hana en haar date, die duidelijk blijer met elkaar waren dan collega’s. ‘Hana’ zei de een. ‘Martha’ zei de ander. Kameraad en ik keken elkaar aan en we zagen elkaars monden openvallen van verbazing. Verloren dochters kwamen thuis.
Tien bier later, we hadden de journalistendorst weer hervonden, waren we doordrenkt van geluk. Want als het lot in staat is om kleine gebaren te kneden tot onwaarschijnlijk geluk, dan is wereldvrede niet ver meer weg.