Het is maandag 25 januari. Er komen berichten over mogelijke rellen in het centrum van de stad. Protesten tegen het coronabeleid, de avondklok of de behoefte aan een ‘uitje’, een beetje reuring. Als iets niet mag, wordt het ineens heel aantrekkelijk. Vriendlief lijkt het wel gezellig om samen mee te gaan doen.
Grapje natuurlijk, maar voor hem is die avondklok wel een dingetje. Niet dat hij ertegen is of wil gaan protesteren. Maar hij is wel een avondmens, hè. Als ik opsta ligt hij nog uren op een van zijn oren; zodra ik in bed kruip begint voor hem de ‘avond’. Veel in het theater en de horeca gewerkt. Dan krijg je dat. Vóór de coronacrisis dronk hij graag vlak voor sluitingstijd nog gezellig een biertje in Café De Kroon. Een belangrijk moment van de dag en soms het enige waarop hij andere mensen sprak. En hij is vast niet de enige. Die hele ‘nachtploeg’ moet het al maanden stellen met een biertje uit eigen koelkast, zonder gezelschap, zonder praatje. Ik heb te doen met de mensen voor wie het nu wel érg stil is, die écht niemand meer zien. Ik hoorde dat ze met het café een eigen appgroep hebben, maar dat is toch anders dan live. Soms drinkt mijn lief een biertje met een vriend. Thuis. Kan nu ook niet. Het moet maar even. Van een nachtmens maak je niet zomaar een dagmens.
Vriendlief woont een paar straten verderop. We latten en lopen regelmatig het stukje naar elkaars huis. Eten en/of slapen dan weer hier, dan weer daar. Dat bevalt prima, maar is nu even oppassen. Na negen uur ’s avonds even geen spontaniteit meer. Geen wandeling door de versgevallen sneeuw. Ook geen vergeten mobieltje ophalen of ‘weet je, ik heb wel zin om bij jou te zijn’.
Spertijd. Tenzij we zijn poes aanlijnen.